Ze is begonnen aan een hele verre reis.
Zaterdag 27 februari 1999.

H alf zes 's ochtends: David, die vannacht bij ons in bed is gekropen, begint ontzettend te hoesten. Even slaat de paniek toe. Wat is dit in hemelsnaam? Hij zal toch niet ook ziek worden?
We gaan weg uit die ijskoude slaapkamer. Frans gaat op de bank liggen en David en ik gaan in zijn bed. David kan niet meer in slaap komen. Het hoesten is gelukkig gestopt.
Hij gaat eruit.
Er ligt een stok op de vloer, van buiten meegenomen. "Mama, ik ga vechten tegen de draak. De schommelstoel is de draak." Ik kijk toe. Hij slaat een tijd lang keihard met de stok op de grond en tegen de schommelstoel. Dit heb ik hem nog nooit zo zien doen. Maar ik voel dat het goed is voor hem. "De draak is verslagen!"

David gaat deze ochtend weer naar de buurtjes. Wij moeten op pad (hoe vreselijk dat ook is) om een aantal dingen te regelen. Eerst naar de bloemist: daar sta je dan in een overvolle bloemenwinkel te wachten tot je aan de beurt bent. "Komt u maar even mee naar achteren."
Ik toon het wollen schaapje van Anna dat in het bloemstuk verwerkt moet worden. Als ze het maar niet kwijt maken.
Vervolgens begeeft Frans zich naar het Kruidvat om de foto's op te halen van het filmpje dat ik begin van de week had ingeleverd.
De allerlaatste foto's van Anna.

Dit bestaat niet. Gebiologeerd staren we ernaar. Anna en David op de slee, staand naast grote sneeuwpoppen: ze kijkt ongelukkig.
Ik realiseer me opeens dat ze de laatste weken niet graag buiten was, soms zei dat ze naar binnen wilde. We hebben er niet zo heel veel acht op geslagen. Het was zo mooi met al die sneeuw en het was beslist niet zo dat de kinderen in pokkenweer en ijzige koude wind buiten waren.
De allerlaatste fotoDe allerlaatste foto is gedateerd donderdag 18 februari, 1 week voor haar dood. Broer en zus zitten samen in de boekenkast waarin een plank werd veranderd. Ze kijkt olijk.
We rijden nog naar een tuincentrum en kopen daar potjes met bloeiende bolletjes om bij haar bed te zetten.

Ze staat in de krant, tussen allemaal oude mensen.
De afbeelding van de vlinder springt eruit. Er is ook een overlijdensadvertentie van de leerkrachten, kinderen en ouders van de school met een gedicht van Ida Gerhardt:

Over de weide

Zeker zal zij er zijn,
die wij op aarde beschreiden,
komende over de weide,
lachend en zonder pijn
kniediep in bloemen klein,
komende over de weide,
lopende tussen ons beiden.
En in haar wijze geleide
zullen wij kinderen zijn.

Komende over de weide,
zeker zal zij er zijn.

Tegen twaalven komt mijn vriendin Mary. Haar gezicht is opgezwollen van het huilen. Na mijn late telefoontje heeft ze uren rondgereden in de auto. De twee buurvrouwen arriveren die vanmiddag koffie en thee zullen serveren. En dan worden we overspoeld door het bezoek. Het huis is vol meelevende, geschokte en huilende mensen.
Steeds maar weer vertellen we het verhaal van die fatale donderdag met aan het eind de grote vraag die iedereen bezighoudt: hoe kon dit zomaar zo plotseling gebeuren?
Hoe kan het dat ik zo ogenschijnlijk rustig al die visite te woord sta? Het gekke is dat ik aan de ene kant een wonderbaarlijke rust in mij voel. Iemand anders zorgt nu voor haar en ik weet dat die zorg heel goed is. Aan de andere kant is haar dood nog maar nauwelijks tot me doorgedrongen en komt het nu aan op overleving en het regelen van alles.
Bijna iedereen wil Anna's lichaam zien. In kleine groepjes gaan we naar haar toe. Op het dressoir in de gang branden kaarsjes en hebben we foto's van haar opgehangen.
Zo was ze, niet dat dode lichaam dat daar in bed ligt. Dat is onze Anna niet meer, Anna is al lang weg, ze is begonnen aan een hele verre reis.
Herinner je haar levend.
Tegen vijven zijn de meeste mensen weg. We zijn uitgeput.
Eten: het lichaam schreeuwt om eten. Sinds donderdag heb ik nauwelijks meer iets gegeten.
Ik probeer een beetje soep. Soep is het enige wat ik nu verdraag.

's Avonds komt Geert. We moeten de kerkdienst voorbereiden. Flarden van haar leven komen boven.
Luister Geert naar het verhaal van haar conceptie.
Er was eens een klein wit huis gelegen aan de rand van een wei vol met bloeiende bloemen. Rond het huis stonden oeroude appelbomen vol met rose bloesems. In de wei graasden bonte koeien. In dat huis logeerden een man, een vrouw en een tweejarig jongetje dat altijd op klompen rondliep.
De man en de vrouw wilden graag een kindje erbij en een zusje of broertje voor het jongetje.
Daar op die plek, ergens in voormalig Oost-Duitsland, begon in de buik van de vrouw een klein meisje te groeien.
Het was een heerlijke week: ze maakten uitstapjes en wandelingen. De man en de vrouw lazen boeken in de tuin. De vrouw was erg onder de indruk van het boek 'Paula'het boek 'Paula' van Isabel Allende.
Het jongetje plukte gele bloemen en speelde met zijn autootjes.
Op de dag van vertrek barstte er 's ochtends een onweer los met geweldige donderslagen.
Het sprookje eindigt met de dood: een koe lag te dampen in de wei naast het huis en bleek dodelijk getroffen door de bliksem.

Chaos deze avond en veel bier en port: het lukt uiteindelijk om enige structuur te krijgen in de begrafenisdienst. Geert zal morgenavond terugkomen want we zijn nog lang niet klaar.

<< vorig                  inhoudsopgave                  volgend >>